DELTA- OF MISSISSIPPI-BLUES
Deze pagina heeft, net als de volgende, als kop "Verspreiding van de blues". Op deze pagina gaat het specifiek en alleen over de delta-blues en zijn pioniers. Omdat dit genre mag worden gezien als de basis, de oervorm van de blues, van waaruit andere bluesgenres zijn ontstaan en verspreid over het land. Het is een van de vroegst bekende stijlen van blues, ontstaan in de Mississippi Delta, met als centrum Clarksdale en omgeving, en wordt beschouwd als een regionale variant van country-blues. Dit gebied in de staat Mississippi is vooral bekend om zijn katoenvelden. Voor bluesliefhebbers is Clarksdale bijna heilige grond: hier bevindt zich het Delta Blues Museum, er zijn veel oude juke joints, en vrijwel elke avond live delta-blues. En dat is zeker het geval, omdat Dockery in de buurt ligt, dat de "Birthplace of the Delta-Blues" wordt genoemd, en een belangrijke plaats inneemt in de bluesgeschiedenis.
KENMERKEN VAN DE DELTA-BLUES
De delta-blues heeft zijn eigen typische kenmerken:
- de (slide)gitaar en mondharmonica zijn de dominante instrumenten;
- rauwe zang;
- zware ritmes;
- repetitieve hypnotische patronen;
- sterke emotionele intensiteit.
Vocale stijlen in delta-blues variëren van zelfreflectie (introspectief: naar binnen kijkend) en soulvol tot gepassioneerd en vurig. Onderstaand een tiental legendarische delta-bluesmuzikanten van het eerste uur: Willie Brown, Charley Patton, Son House, Howlin' Wolf, Skip James, Robert Johnson, Arthur Crudup, Tommy Johnson, Roebuck Staples en Big Joe Williams.
DE GESCHIEDENIS VAN DOCKERY
Het plaatsje Dockery is ontstaan uit de Dockery Plantation. Een katoenplantage van 25.600 acre (104 km²), met landbouwbedrijf en zagerij in Dockery, Mississippi, aan de Sunflower River tussen Ruleville en Cleveland. Het landgoed werd in 2006 toegevoegd aan het Nationaal Register van Historische Plaatsen.
De plantage werd in 1895 opgericht door Will Dockery (1865–1936), een afgestudeerde van de Universiteit van Mississippi die het land oorspronkelijk kocht vanwege het hout, maar al snel de vruchtbaarheid van de bodem inzag. In die tijd was een groot deel van het Delta-gebied nog een wildernis van cipressen en gombomen, waar panters en wolven rondzwierven en waar muggen teisterden. Het land werd geleidelijk ontgonnen en drooggelegd voor de katoenteelt, wat een toestroom van zwarte arbeiders stimuleerde. Sommigen vestigden zich als deelpachters, die een deel van het land bewerkten in ruil voor een deel van de oogst, terwijl anderen rondtrekkende arbeiders waren.
Dockery verwierf een goede reputatie door zijn arbeiders en deelpachters eerlijk te behandelen en trok zo arbeiders uit het hele Zuiden aan. Het land van Dockery lag relatief afgelegen, maar werd ontsloten voor ontwikkeling door een nieuwe tak van de Yazoo and Mississippi Valley Railroad, bekend als de Yellow Dog. Rond 1900 liet Dockery een spoorwegterminal bouwen op zijn plantage, waardoor zijn land werd verbonden met het hoofdspoorwegnet bij Rosedale. Vanwege de kronkelige route stond deze lokale lijn bekend als de “Pea Vine” (de term "Pea vine" was een veelgebruikte bijnaam voor 19e-eeuwse spoorwegen die kronkelende, indirecte routes volgden die leken op de ranken van een erwtenplant).
De Dockery-plantage bood uiteindelijk werk aan meer dan 2.000 arbeiders, die werden betaald in de eigen valuta van de plantage. Naast het spoorwegstation beschikte de plantage over een eigen winkel, een postkantoor, een benzinepomp, een school, een dokter en kerken. Kortom: een klein dorp rondom de plantage en het landbouwbedrijf, waar letterlijk alles eigendom was van Will Dockery. Welbeschouwd was Will Dockery een heel sociale ondernemer die het goed voorhad met zijn personeel, maar tegelijkertijd aan alles verdiende. Ik noem hem eerder een uitgekookte opportunist, in de zin van 'doen waar je het meeste voordeel van hebt': De "Dockery-dollars" waarmee de arbeiders werden betaald, konden alleen worden uitgegeven in/bij de winkels en andere dienstverlening in het dorp. De arbeidersverblijven bestonden uit pensions, waar de werknemers/slaven woonden, sociale contacten onderhielden en muziek maakten op allerlei instrumenten, waaronder gitaren, accordeons, banjo's, mandolines en mondharmonica's. Dockery had geen interesse in de muziek van zijn arbeiders, maar hij maakte het hen gemakkelijk om te reizen en hun vrije tijd door te brengen zoals zij dat wilden.
In deze video uit 2014 wordt het Dockery-verhaal verteld door William Lester (directeur van de Dockery Farm Stichting) en B. B. King. Muziek: Charley Patton. Duur: 10 minuten.
In 1936 werd de plantage geërfd door Joe Rice Dockery (1906–1982). Door de mechanisatie van de landbouw en de aantrekkingskracht van de grotere steden verder naar het noorden verdwenen de plantagenederzettingen geleidelijk, hoewel enkele van de historische gebouwen bewaard zijn gebleven. De boerderij diversifieerde later en ging maïs, rijst en sojabonen produceren. Latere leden van de familie Dockery hebben een stichting opgericht om onderzoek naar de delta-blues te financieren.
Tegenwoordig worden er op het terrein een klein aantal privérondleidingen, lezingen en evenementen georganiseerd in samenwerking met het Thelonious Monk Institute of Jazz, Delta State University en andere academische en culturele instellingen. Dockery is nog steeds een werkende boerderij, waar soja, rijst en maïs (maar geen katoen) worden verbouwd.
DELTA- OF MISSISSIPPI-BLUES EN ZIJN PIONIERS
Het plaatsje Dockery staat bekend als de geboorteplaats van de blues. Het was de thuisbasis van de beroemde Mississippi delta-bluesmuzikanten Charley Patton, Robert Johnson, Howlin' Wolf, Henry Sloan, Tommy Johnson, Son House, Roebuck "Pops" Staples en David "Honeyboy" Edwards. Ze hebben allemaal op deze legendarische plantage gewoond, gewerkt en/of gespeeld. Charley Patton en zijn familie zouden rond 1900 naar de Dockery Plantation zijn verhuisd, waar hij onder de invloed kwam van de oudere muzikant Henry Sloan.
Onderstaand een rijtje van 12 pioniers in de delta-blues, op volgorde van hun jaar van geboorte:
HENRY SLOAN
Henry Sloan was een Afro-Amerikaanse muzikant en een van de vroegste figuren in de geschiedenis van de delta-blues. Hij was een Dockery-man die speelde, maar nooit zong, en daardoor minder kans had om geld te verdienen dan degenen die dat wel deden. Naast het feit dat hij Charlie Patton instrueerde over de blues, is er erg weinig over zijn leven bekend, behalve dat hij verhuisde naar Chicago vlak na de Eerste Wereldoorlog. Voor zover bekend zijn er geen opnames van hem. Volgens de onderzoeker David Evans werd Sloan geboren in de staat Mississippi in 1870 en woonde hij rond 1900 vlak bij Bolton, Mississippi, in dezelfde gemeenschap als de families Patton en Chatmon. Hij verhuisde tussen 1901 en 1904, samen met de Pattons, naar de Dockery Plantation. Patton kreeg les van Sloan en ze speelden een aantal jaren samen. Twee van Pattons latere metgezellen gaven aan dat Patton "elke stap nauwkeurig volgde" van Sloan.
Sloan overleed in Crittenden County, Arkansas; zijn laatste rustplaats is onbekend.
Onderstaand een korte documentaire over Henry Sloan, getiteld "This Black Musician Gave Us the Blues, Then History Erased Him" (Deze zwarte muzikant bracht ons de blues, maar werd daarna uit de geschiedenis gewist).
"This Black Musician Gave Us the Blues, Then History Erased Him".
Hoewel niet bewijsbaar, bestaat de kans dat Sloan de mysterieuze zwerver zou zijn, die de Amerikaanse componist en muzikant W.C. Handy gitaar had zien spelen op het Tutwiler-treinstation in 1903 (zie ook de pagina "Ontstaan van de blues"). Handy werkte daar als dirigent van de Knights of Pythias Band, toen hij voor het eerst 'de blues' hoorde. Hij had in zijn autobiografie geschreven dat hij wakker werd gemaakt door "...een dunne, soepele neger die, terwijl ik nog sliep, naast mij zijn gitaar begon te bespelen. Zijn kleren waren vodden en zijn voeten staken uit zijn schoenen. Zijn gezicht zag eruit alsof het was getekend door jarenlange droefheid. Tijdens het spelen drukte hij een mes op de snaren van de gitaar. ... het effect was onvergetelijk... Hij zong de zin ("Goin' where the Southern cross the Dog") drie keer en begeleidde zichzelf op gitaar met de vreemdste muziek die ik ooit had gehoord."
Het nummer "I'm Going Where the Southern Crosses the Dog" (vaak simpelweg "Yellow Dog Blues" genoemd) is later (1914) gecomponeerd en gepubliceerd door Handy. De zin verwijst naar een specifiek treinkruispunt in Moorhead, Mississippi, waar de Southern Railway en de Yazoo Delta Railroad (bijgenaamd de "Yellow Dog") elkaar kruisten. Het iconische nummer is door de jaren heen door tientallen artiesten gecoverd.
Op zijn beurt werd Patton de spil van een groep bluesmuzikanten, waaronder Willie Brown, Tommy Johnson en Eddie “Son” House, die in de omgeving optraden. Vanwege de ligging, centraal ten opzichte van de zwarte bevolking van Sunflower County, die in 1920 zo'n 35.000 mensen telde, stond de plantage bekend als een centrum voor informeel muzikaal vermaak. Halverwege de jaren twintig breidde de groep zich uit met een jongere generatie muzikanten, waaronder Robert Johnson, Chester “Howlin’ Wolf” Burnett, Roebuck ‘Pops’ Staples en David “Honeyboy” Edwards. Sommigen van hen waren rondtrekkende arbeiders, terwijl anderen meer permanent op de boerderijen woonden.
CHARLEY PATTON
Patton was een Amerikaanse deltabluesmuzikant. Over zijn exacte geboortedatum en zelfs geboorteplaats (Edwards of Bolton) bestaat wat onzekerheid, omdat officiële registraties van Afro-Amerikanen in het Zuiden toen vaak onvolledig waren. Patton woonde en werkte lange tijd op de Dockery Plantation, vaak beschouwd als een van de bakermatten van de delta-blues. Hij wordt vaak “de vader van de delta-blues” en, zoals op zijn grafsteen, "The voice of the Delta" genoemd. Niet de eerste blueszanger, maar wel de eerste die algemeen bekend werd, vooral in het zuiden van Amerika. Patton was zowel van zwarte, blanke als indiaanse afkomst. Als een van de eerste grote bluessterren van het Zuiden beïnvloedde hij vrijwel iedereen in de delta-scene, en werd hij beschouwd als mentor van of inspiratiebron voor muzikanten als Son House, Howlin' Wolf en Robert Johnson.
Bekende nummers die hij speelde en zong in de zuidelijke staten: Down The Dirt Road Blues, Pony Blues, High Water Everywhere, Spoonful Blues en A Down Home Girl.
- het slaan op het lichaam, het bespelen van de gitaar tussen zijn benen, met zijn tanden en achter zijn rug of hoofd;
- zijn zeer krachtige stem;
- percussieve (als slagwerk gebruikte) gitaarstijl
- spectaculaire podiumshow;
- dansen tijdens optredens.
Veel rockartiesten deden later vergelijkbare dingen. Patton werkte in de jaren twintig samen met gitarist Willie Brown en raakte bevriend met predikant en bluesman Son House. Muzikaal waren er opvallende verschillen tussen beide:
| Charley Patton | Son House |
|---|---|
| Meer entertainer | Meer spiritueel/intens |
| Ritmisch en rauw | Emotioneel en dramatisch |
| Showman | Predikerachtige stijl |
| Basis van delta blues | Verdiepte emotionele expressie |
| Oudere generatie | Jongere opvolger |
Om de muzikale vergelijking tussen Patton en Son House zelf te beoordelen, kijk iets verderop onderaan het artikel over Son House.
Patton ligt begraven in Holy Ridge, Mississippi. De locatie is gemarkeerd als een officiële stopplaats op de Mississippi Blues Trail (zie onderaan op deze pagina). Op de begraafplaats is tevens een speciaal monument voor hem opgericht.
TOMMY JOHNSON
Tommy Johnson (geen familie van Robert Johnson) was een Amerikaanse zanger en gitarist uit Mississippi die plaatopnames maakte aan het eind van de jaren 1920. Hij was een van de pioniers van de delta-blues die met zijn plaatopnames zijn reputatie vestigde als de belangrijkste en veelzijdigste deltablueszanger van zijn tijd. Hij stond bekend om zijn heldere falsetstem en subtiele gitaarspel. Zijn nummer Cool Drink of Water Blues (1928) werd later door Howlin' Wolf bewerkt tot I Asked for Water (She Gave Me Gasoline).
Zijn broers LeDell Johnson en Major (of Mager) Johnson waren ook bluesmuzikanten. Tommy Johnson werd geboren als het zesde van dertien kinderen van Idell Johnson en Mary Ella Wilson op een plantage in de omgeving van Terry (Mississippi), ten zuiden van Jackson. Rond 1910 verhuisde het gezin naar Crystal Springs (Mississippi), waar hij ook het grootste deel van zijn latere leven zou wonen. Hij leerde gitaarspelen van zijn vier jaar oudere broer LeDell, maar dat was nog geen blues. Rond 1915 kreeg hij een relatie met een oudere vrouw en verliet hij het ouderlijk huis. Twee jaar later keerde hij terug in Crystal Springs. Onderweg had hij Charley Patton en Willie Brown ontmoet, van wie hij enkele bluesnummers had geleerd, onder andere "Pony Blues", dat Charley Patton later op de plaat zou zetten. In 1921 verhuisden Tommy en LeDell naar een plantage in de omgeving van Drew (Mississippi), die niet ver weg lag van Dockery Plantation, de katoenplantage van Will Dockery, waar Charley Patton woonde. In deze periode traden de Johnsons, Patton en Willie Brown regelmatig samen op.
Na een jaar verliet Tommy Johnson de katoenplantage bij Drew en werd hij een rondreizende muzikant met Crystal Springs als thuisbasis. Hij liet zich soms begeleiden door Papa Charlie McCoy, met wie hij in februari 1928 ook zijn eerste opnames maakte voor het platenlabel Victor Records. Later volgden sessies in augustus 1928 (voor Victor) en in december 1929 (voor Paramount Records). Hij bleef optreden in de jaren 1930 en 1940, vaak in het gezelschap van Ishmon Bracey.
Johnson was een begenadigd componist die traditionele verzen en autobiografische referenties combineerde met een creatief gebruik van de gitaarlicks die hij van Charley Patton en Willie Brown had geleerd, zoals het melodieuze Bye Bye Blues, dat een variatie is op zowel Pattons Pony Blues als Browns M & O Blues. Van zijn broer, de dominee en blueszanger LeDell Johnson, is het verhaal afkomstig dat hij zijn ziel aan de duivel had verkocht om gitaar te leren spelen. Deze legende werd over meer blueszangers verteld en raakte later vooral verbonden met Robert Johnson. Tommy Johnson was ook de inspiratiebron voor het gelijknamige personage in de film O Brother, Where Art Thou? van Joel en Ethan Coen.
Een van de nummers van Johnson was Big Road Blues (1928), dat in 1969 verscheen op de langspeler 'Hell's Session' van de Nederlandse groep Living Blues.
Hij overleed op 1 november 1956 op zestigjarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval en een levenslange alcoholverslaving, zoals hij al aankondigde in het nummer "Canned Heat Blues", een lofzang op de ingeblikte brandspiritus van het merk "Sterno". Tommy Johnson werd op 5 november 1956 begraven in een naamloos graf bij de Warm Springs Colored Methodist Episcopal (CME) Church ten noorden van Crystal Springs. De definitieve grafsteen, gefinancierd door de bekende muzikant Bonnie Raitt via het Mount Zion Memorial Fund Mount Zion Memorial Fund: voor Blues, Muziek en Rechtvaardigheid. Het doel is om het verdwijnen van cultureel erfgoed in Afro-Amerikaanse gemeenschappen te voorkomen door verantwoorde praktijken op het gebied van publieke geschiedenis en erfgoedtoerisme te bevorderen. werd voor het eerst in 2001 officieel onthuld tijdens een ceremonie in het centrum van Crystal Springs. Door een langdurig juridisch en bureaucratisch geschil tussen Johnsons familie, lokale landeigenaren en de overheid over de toegangsweg naar de begraafplaats, kon de steen niet worden geplaatst. De grafsteen stond gedurende elf jaar noodgedwongen tentoongesteld in de openbare bibliotheek van Crystal Springs. Nadat de toegangsweg eindelijk hersteld was, werd op 26 oktober 2012 de grafsteen tijdens een officiële herdenkingsceremonie definitief op zijn graf geplaatst. (foto geheel links). Bij een daad van vandalisme op de begraafplaats op zaterdag 2 februari 2013 werd ook zìjn graf vernield.
De Amerikaanse bluesrockband Canned Heat heeft aan dit nummer zijn naam ontleend. Deze band had in 1968 een hit met On the Road Again. Dat nummer was geschreven in 1953 door Floyd Jones. En Floyds voornaam zou later deel uitmaken van de naam van een geheel andere band door zijn samenwerking met Pink Anderson: Pink Floyd. Om maar een paar linkjes te leggen... Daarover lees je meer op de pagina "Verspreiding van de blues", onder de kop Piedmont-blues. Scroll dan naar'PINK FLOYD & PIEDMONT-BLUES?'
WILLIE BROWN
Willie Brown was een Amerikaanse blueszanger en gitarist uit Mississippi, die wordt beschouwd als een van de grondleggers van de deltablues. Hoewel maar enkele van zijn eigen songs bewaard zijn gebleven, is hij als tweede gitarist te horen op opnamen van bluesgrootheden als Son House en Charley Patton en was hij een voorbeeld voor Robert Johnson en Muddy Waters. Son House, met wie hij in de jaren 1930 vaak optrad, beschouwde hem als de beste gitarist die hij kende.
Willie Brown wordt soms vereenzelvigd met Kid Bailey, een deltablueszanger die in 1929 enkele plaatopnamen in de stijl van Brown heeft gemaakt en daarna van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Het is nog altijd onduidelijk of Kid Bailey een schuilnaam van Willie Brown was of dat het iemand anders was. Willie Brown moet niet worden verward met andere muzikanten die ook Willie Brown heetten of zich zo noemden, zoals Noble Sissle, die op sommige platen het pseudoniem "Willie Brown and his Sizzling Syncopators" gebruikte.
In de jaren 1930 trad Willie Brown regelmatig op met onder andere Son House en Robert Johnson in jukejoints in Mississippi en de omgeving van Memphis, Tennessee. In 1941 maakte Willie Brown deel uit van de band die Son House begeleidde tijdens diens opnamen voor de Library of Congress onder supervisie van Alan Lomax. Willie Brown nam toen ook één nummer solo op. Kort erna stopten ze allebei met muziek maken en verhuisden ze naar Rochester (New York). Rond 1950 keerde Brown terug naar Mississippi en werkte daarna als boer in Tunica (Mississippi). Hij overleed daar op 30 december 1952 en werd begraven op de Good Shepherd Cemetery in Prichard (Mississippi).
EWARD 'SON' HOUSE
Son House was een Amerikaanse delta-blueszanger en gitarist die opgroeide in de Mississippi Delta-regio. Later trok hij naar Rochester (New York), waar hij in de jaren 60 werd “herontdekt” tijdens de bluesrevival. Hij was oorspronkelijk baptistenpredikant en stond lang wantrouwig tegenover bluesmuziek. Uiteindelijk combineerde hij de emotionele kracht van gospel met blues, en werd hij een van de invloedrijkste delta-bluesmuzikanten ooit. Samen met Charley Patton wordt hij beschouwd als een grondlegger van de Mississippi Delta-blues. Kenmerken van zijn stijl: zeer intense zang, bijna predikend, rauwe slidegitaar met bottleneck-techniek, ritmisch en hypnotisch spel. De thema’s in zijn nummers waren religie, armoede, drank, schuld, liefde en dood. Zijn opnames uit de jaren 20 en 30 behoren tot de oudste en belangrijkste delta-bluesopnames. In de jaren 40 verdween hij bijna volledig uit de muziekwereld. Tijdens de folk- en bluesrevival van de jaren 60 werd hij teruggevonden in Rochester, New York, waarna hij opnieuw optrad en muziek opnam. Son House beïnvloedde later grote namen zoals Robert Johnson, Muddy Waters, Eric Clapton en Jack White.
Zijn belangrijke nummers: Death Letter, Grinnin’ in Your Face, John the Revelator, Judgement Day en Preachin’ the Blues. Dit laatste zou een grote invloed hebben op een jonge Robert Johnson.
WIL JE WETEN HOE DE ECHTE DELTA-BLUES KLONK VÓÓR DE ELECTRISCHE CHICAGO-BLUES EN VÓÓR DE ROCK-'N-ROLL? Luister dan in deze volgorde naar Charley Pattons "Pony Blues" en "High Water Everywhere", en vervolgens Son Houses "Death Letter" en "Grinnin’ in Your Face".
Die muziek heeft iets primitiefs en tegelijk ongelooflijk intens. Bij Charley Patton hoor je bijna de geboorte van rock, blues en zelfs punk in dat ruwe ritme en die stem. En Son House had die hypnotische slidegitaar en dat predikende, bijna bezwerende zingen.
SKIP JAMES
Skip James werd geboren nabij Bentonia. Zijn vader was een stoker van illegale sterke drank, die zich had bekeerd en prediker was geworden. James had diverse baantjes en begon in de jaren twintig gitaar te spelen en liedjes te schrijven. In 1931 werd het grootste deel van James' muziek geregistreerd, in de Paramount-studio's van Grafton (Wisconsin). De opnamen waren echter geen commercieel succes. Hij kwam uit de zogenaamde Bentonia-stijl, een aparte Mississippi-bluestraditie, en gebruikte vaak een vreemde open mineurstemming. Zijn gitaarstemming maakte zijn muziek bijzonder. Daardoor klonk en klinkt zijn muziek donker, spookachtig, hypnotisch, bijna modern. Veel luisteraars vinden hem zelfs emotioneler en mysterieuzer dan Robert Johnson. Zijn zang was heel hoog, ijl en bijna klaaglijk - totaal anders dan de krachtige stem van Son House of Howlin' Wolf. Sommigen vonden het destijds vreemd; vandaag klinkt het bijna tijdloos.
Zijn belangrijkste nummer is Devil Got My Woman, misschien zijn beroemdste opname. Veel mensen noemen dit een van de meest intense bluesnummers ooit.
Skip James - "Devil Got My Woman" (1966).
En natuurlijk "Hard Time Killing Floor Blues", het nummer dat later beroemd is geworden door Chris Thomas King èn door de film "O Brother, Where Art Thou?".
Skip James - "Hard Time Killing Floor Blues" (1967).
Andere klassiekers van Skip James: 22-20 Blues, Special Rider Blues en I'm So Glad. Dit laatste nummer kreeg een tweede leven toen Cream het opnam met Eric Clapton. Veel rockfans ontdekten zo pas tientallen jaren later Skip James. Net zoals bij Son House werd Skip James in de jaren 60 teruggevonden tijdens de folk/bluesrevival. Hij was toen ziek en arm, maar kon opnieuw optreden op folkfestivals en nieuwe opnames maken.
Waarom bluesliefhebbers hem vaak geweldig aan hem vinden, is dat hij bijna buiten de normale bluestraditie lijkt te staan: minder “dansbaar,” minder show, meer introspectief en donker. Bij James krijg je soms het gevoel dat je naar iets heel ouds en persoonlijks luistert — bijna alsof je iemand alleen hoort spelen in een verlaten kamer ergens in Mississippi.
BIG JOE WILLIAMS
Big Joe Williams was een Amerikaanse bluesmuzikant (gitaar, zang) en songwriter, opmerkelijk voor het kenmerkende geluid van zijn negen-snarige gitaar. Het gitaarspel van Williams was in de delta-bluesstijl en toch uniek. Hij speelde stuwende ritmes en virtuoze hoofdlijnen tegelijk en zong eroverheen. Hij trad meer dan vier decennia op en nam onder meer de nummers "Baby, Please Don't Go" (als Joe Williams' Washboard Blues Singers), Crawlin' King Snake en Peach Orchard Mama op voor verschillende platenlabels, waaronder Bluebird, Delmark, Okeh, Prestige en Vocalion.
Geboren in Oktibbeha County, een paar mijl ten westen van Crawford, begon Williams als jongeling door de Verenigde Staten te zwerven en te spelen in winkels, bars, steegjes en werkkampen. In het begin van de jaren 1920 werkte hij in de revue van Rabbit Foot Minstrels. Hij nam in 1930 op met de Birmingham Jug Band voor Okeh Records. Tijdens de jaren 1930 bracht hij enige tijd door in de gevangenis.
In 1934 was hij in Saint Louis (Missouri), waar hij de producent Lester Melrose ontmoette, die hem in 1935 contracteerde bij Bluebird Records. Hij bleef tien jaar bij Bluebird en nam blueshits op als "Baby, Please Don't Go" (1935) en "Crawlin' King Snake" (1941), die beide later werden gecoverd door vele andere muzikanten. Hij nam ook op met andere blueszangers, waaronder Sonny Boy Williamson I, Robert Nighthawk en Peetie Wheatstraw. Rond deze tijd was hij naar verluidt getrouwd met de blueszangeres Bessie Mae Smith uit St. Louis, aan wie hij soms de eer toekende voor het schrijven van "Baby, Please Don't Go".
Big Joe Williams - "Baby, Please Don't Go" (1966).
Tijdens de vroege jaren 1930 werd Williams op zijn reizen door de Mississippi-delta vergezeld door een jonge Muddy Waters. Na diverse 78"-platen verscheen in 1958 zijn eerste album Piney Woods Blues bij Delmark Records. Williams bleef een bekende bluesartiest in de jaren 1950 en 1960, toen zijn gitaarstijl en zang populair werden bij folkbluesfans. Hij nam op voor Trumpet, Delmark, Prestige, Vocalion en andere labels. Hij werd een vaste klant in het concert- en koffiehuiscircuit, toerde eind jaren 1960 en begin jaren 1970 door Europa en Japan en trad op op grote Amerikaanse muziekfestivals. Williams had begin jaren 1960 ook invloed op de jonge Bob Dylan.
Big Joe Williams - "She left me a mule to ride" (1966).
Op 4 oktober 1992 werd hij opgenomen in de Blues Hall of Fame. In 2003 werd Williams geëerd met een marker op de Mississippi Blues Trail in Crawford.
ARTHUR CRUDUP
Arthur Crudup (Forest (Mississippi), 24 augustus 1905 – Nassawadox (Northampton County, Virginia), 28 maart 1974) was een Amerikaanse blueszanger, songwriter en gitarist in de stijl van de delta-blues en rhythm-and-blues. Ook hij begon zijn carrière als blueszanger in Clarksdale, en trad op met artiesten die woonden en werkten op de Dockery-plantage. Buiten blueskringen is hij vooral bekend als componist van liedjes als "That's All Right" (1946), "My Baby Left Me" en "So Glad You're Mine", die door Elvis Presley en andere artiesten werden gecoverd.
Crudup werd geboren op 24 augustus 1905 in Union Grove in Forest, een stad in de staat Mississippi. Zijn ouders waren arbeidsmigranten die door het zuiden en midwesten van de Verenigde Staten reisden. Het gezin keerde in 1926 terug naar zijn geboortestreek. Crudup zong gospelmuziek en kreeg gitaarles bij een plaatselijke bluesman, Papa Harvey. Hij speelde later in danszalen en cafés in Forest tot hij rond 1940 naar Chicago verhuisde.
Hij begon zijn carrière als blueszanger in Clarksdale in de staat Mississippi. Als lid van de Harmonizing Four tourde hij in 1939 naar Chicago. Hij bleef in Chicago om als solomuzikant te werken, maar verdiende nauwelijks de kost als straatzanger. De platenproducent Lester Melrose zou hem hebben gevonden toen Crudup in een verpakkingskrat woonde. Lester stelde hem voor aan Hudson Whittaker, beter bekend als Tampa Red, en bood hem een platencontract aan bij het Bluebird-label van RCA Victor.
Hij nam eind jaren 1940 op bij RCA en begin 1950 bij Ace Records, Checker Records en Trumpet Records. Hij toerde door zwarte clubs in het Zuiden en speelde soms met Sonny Boy Williamson II en Elmore James. Hij nam ook op onder de namen Elmer James en Percy Lee Crudup. Zijn liedjes "Mean Old 'Frisco Blues", "Who's Been Foolin' You" en "That's All Right" waren populair in het Zuiden. Deze en zijn andere nummers "Rock Me Mama", "So Glad You're Mine" en "My Baby Left Me" zijn opgenomen door vele artiesten, waaronder Elvis Presley, Slade, Elton John en Rod Stewart.
Crudup stopte met opnemen in de jaren vijftig vanwege geschillen over royalty's. Hij zei: "Ik besefte dat ik iedereen rijk maakte, en hier was ik arm". Zijn laatste sessie in Chicago was in 1951. Zijn opnamesessies van 1952-1954 voor Victor vonden plaats op radiostation WGST in Atlanta in Georgia. Hij keerde terug om op te nemen voor Fire Records en Delmark Records. Hij toerde in 1965 en werd soms bestempeld als "The Father of Rock and Roll", hetgeen hij met enige verbijstering accepteerde. Gedurende deze tijd werkte Crudup als arbeider om het lage loon dat hij als zanger ontving aan te vullen (hij ontving geen royalty's). Hij verhuisde later met zijn gezin, drie zonen en een aantal van zijn broers en zussen naar Virginia, waar hij werkte als landarbeider. Hij stierf aan complicaties van hartziekten en diabetes in het Nassawadox-ziekenhuis in Northampton County, Virginia, op 28 maart 1974, vier jaar na de mislukte royalty-schikking.
Arthur Crudup - "Born Into The Blues" (1974).
HOWLIN' WOLF
Wolfs echte naam was Chester Arthur Burnett, een Amerikaanse blueszanger, gitarist en bluesharpspeler die veel invloed heeft gehad op de bluesmuziek. Burnett werkte al jong op een katoenplantage en leerde zo de rauwe zelfkant van de maatschappij kennen. Nadat zijn moeder hem als 11-jarige jongen het huis uitgooide, zocht hij onderdak bij zijn oom, die hem vervolgens mishandelde. Na twee jaar ontvluchtte hij het huis van zijn oom en liep 120 kilometer naar zijn vader, die hem liefdevol opnam in zijn gezin. Zijn vader gaf hem op 18-jarige leeftijd zijn eerste gitaar. Blues-pionier Charley Patton leerde hem spelen.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Burnett zijn eigen radioshow bij een lokaal station. Daar werd zijn rauwe en doorleefde stemgeluid ontdekt. De platenmaatschappijen boden tegen elkaar op om hem onder contract te krijgen. Hij kwam onder contract bij Chess Records en verhuisde naar Chicago. De jonge gitarist Hubert Sumlin was hem gevolgd en werd zijn vaste begeleider tot aan zijn dood in 1976.
Samen met Muddy Waters was hij de meest toonaangevende bluesmuzikant van de jaren '50. Met zijn imposante postuur, 1,98 m en 130 kilo zwaar ("Three hundred pounds of heavenly joy"), was zijn voorkomen op het podium indrukwekkend. Met zijn soms ordinaire, dan weer verhalende optreden met een stem als een scheepsboei was hij van grote invloed op Captain Beefheart en Tom Waits.
Howlin' Wolf - "Down In The Bottom" (live 1961).
Howlin’ Wolf was een brug tussen de ruwe delta-blues en de elektrische Chicago-blues. Zijn kenmerken: een enorme, grommende stem, zeer krachtige podiumaanwezigheid, elektrische blues met zware ritmes. Zijn optredens waren een combinatie van dreiging, humor en emotie. Hoewel hij op het podium wild en intimiderend kon lijken, stond Howlin’ Wolf bekend als een verstandige zakenman. Hij betaalde zijn bandleden relatief goed en zorgde ervoor dat hij contracten echt las - iets wat in die tijd zeldzaam was onder bluesmuzikanten. Hij leerde rechtstreeks van de oudere Delta-muzikanten zoals Charley Patton en Son House. Patton had vooral veel invloed op zijn zangstijl en podiumgedrag. Bekende nummers: Smokestack Lightning, Spoonful, Killing Floor, Moanin’ at Midnight en Back Door Man. Veel van zijn nummers werden later gecoverd door Britse rockgroepen zoals The Rolling Stones, Led Zeppelin, Cream en The Doors.
ROBERT JOHNSON
Op de duofoto linksboven staat een persoon rechts naast Robert Johnson. Jarenlang deden geruchten de ronde dat het Johnny Shines, Robert Lockwood Jr., of zelfs een familielid zou zijn, maar daarvoor bestaat geen hard bewijs. Shines is zeker plausibel, omdat hij een tijdlang samen met Robert Johnson door het Zuiden reisde en hem persoonlijk zeer goed kende. Hij was een van de belangrijkste getuigen van Johnsons leven en speelstijl.
Johnny Shines, geboren als John Ned Shines (Frayser (Memphis), 26 april 1915 - Tuscaloosa, 20 april 1992), was een Amerikaanse bluesmuzikant (zang, gitaar). Johnny Shines bracht zijn jeugd grotendeels door in Memphis, waar hij al zeer vroeg als straatmuzikant zijn geld verdiende met zijn slidegitaar. Zijn eerste muzikale voorbeelden waren Blind Lemon Jefferson en Howlin' Wolf. Het gitaarspel had hij echter geleerd van zijn moeder. In 1932 ging Shines naar Hughes, een landbouwdorp in de Amerikaanse staat Arkansas, gelegen nabij de Mississippi en de stad Memphis, om zich als boerderijknecht aan te bieden. Hier ontmoette hij zijn grote voorbeeld Robert Johnson, die Shines weer tot de muziek bracht. Vanaf 1935 traden beiden samen op. Op hun omzwervingen bereikten ze zelfs Ontario. In 1937, een jaar voor Johnsons overlijden, ging ieder weer zijn eigen weg.
Het probleem is vooral dat de originele documentatie van die foto ontbreekt, veel informatie uit de delta-blueswereld mondeling werd doorgegeven, en herinneringen tientallen jaren later soms tegenstrijdig waren. Daarom blijven sommige historici voorzichtig en spreken ze liever van “waarschijnlijk Johnny Shines” dan van absolute zekerheid. Maar onder bluesliefhebbers wordt die identificatie tegenwoordig vrij vaak aanvaard.
Terug naar Robert Johnson, eveneens een Amerikaanse bluesartiest. Hoewel hij vroegtijdig (op 27-jarige leeftijd) overleed en negenentwintig nummers heeft nagelaten, is hij een voorbeeld voor veel blueszangers en -gitaristen. Johnson had tijdens zijn leven slechts een bescheiden hit met de naam “Terraplane blues”. Nadat Columbia Records in 1961 de lp “King of the Delta-Blues” uitbracht, werd hij bekend bij een breder publiek. Johnsons belang voor de muziekgeschiedenis ligt in de mix die hij maakte van bestaande delta-blues en andere invloeden. Kenmerkend is de ritmische, doorrollende gitaarmuziek. Tijdens zijn leven speelde hij met latere bluesgiganten als Muddy Waters en Howlin' Wolf. Hij was de grootste van de delta-bluesmannen en kon de blues laten striemen als hagel.
Johnson en zijn moeder woonden op diverse plantages in de Mississippi Delta. Hij heeft in zijn jeugd verscheidene vaderfiguren gehad. Er is weinig bekend over zijn biologische vader, Noah Johnson, met wie de moeder nooit is getrouwd. Zij woonde kortstondig met haar eerste echtgenoot, Robert Dodds, in Memphis. Johnson bracht het grootste deel van zijn jeugd door in Robinsonville (Mississippi), tegenwoordig heet het Tunica Resorts, met zijn moeder en haar tweede echtgenoot Dusty Willis. In 1929 trouwde Johnson met de 16-jarige Virginia Travis. Virginia raakte zwanger, maar zij en de baby stierven in 1930 tijdens de bevalling.
DE LEGENDE ROND ROBERT JOHNSON
Later ontmoette Johnson de bluesmusici Willie Brown, Charley Patton en Son House. Hij volgde hen naar optredens van Memphis tot Robinsville en begon gitaar te leren spelen, maar werd door de oudere mannen berispt voor zijn onbekwaamheid op het instrument. Geen van drieën was onder de indruk van zijn talent. In een tijdsbestek van een jaar leerde Johnson vervolgens met behulp van onder meer Ike Zimmerman de gitaar te beheersen (Isaiah "Ike" Zimmerman, 27 april 1907 – 3 augustus 1967, was eveneens een Amerikaanse bluesgitarist). Hij oefende hard en leerde fingerstyle blues en slidegitaar, waarbij zijn hoge, eenzame stem het oorspronkelijke bluesgeluid creëerde. Toen hij na een jaar zijn mentoren opnieuw in Robinsonville ontmoette, waren ze verbaasd over zijn vooruitgang, wat leidde tot verhalen over hoe hij op een kruispunt (crossroads) zijn ziel aan de duivel verkocht zou hebben. In ruil voor bekwaamheid op de gitaar, als zanger en songwriter, en voor "fame & fortune". Dit alles in ruil voor de bepaling dat hij nog maar acht jaar te leven zou hebben. Zo ontstond de legende rondom de Crossroads.
Na een kort oponthoud in Robinsonville trok Johnson verder naar Helena (Arkansas). Hier speelde hij met onder meer Howlin' Wolf en Elmore James. Johnson reisde door Mississippi, Arkansas, Texas, Tennessee en zelfs zo ver noordelijk als Chicago en New York. In 1936-1937 nam hij een aantal nummers op in San Antonio en Dallas (beide in Texas). Op 16-8-1938 stierf hij straatarm op 27-jarige leeftijd, in de buurt van Greenwood (Mississippi), waar hij waarschijnlijk ook begraven werd. Na een van zijn optredens zou hij vergiftigde whisky hebben gedronken. Hij overleed enkele dagen later. De exacte locatie van het graf van de legendarische bluesmuzikant Robert Johnson is onbekend. Omdat zijn overlijden in 1938 in mysterie is gehuld, zijn er in de omgeving van Greenwood, Mississippi, drie verschillende kerken en begraafplaatsen die elk een eigen gedenkteken hebben:
- Little Zion Missionary Baptist Church: gelegen aan Money Road (nabij Greenwood). Veel historici en onderzoekers beschouwen deze locatie tegenwoordig als de meest waarschijnlijke begraafplaats;
- Mount Zion Missionary Baptist Church: gelegen in Morgan City, Mississippi. Hier staat een grote obelisk die in de jaren 90 door platenlabels is geplaatst, gebaseerd op een vermelding op zijn overlijdensakte;
- Payne Chapel Missionary Baptist Church: gelegen in Quito, Mississippi. Deze site bevat een eenvoudiger eerbetoon dat geschonken is door een rockband.
De onzekerheid rond zijn laatste rustplaats voedt, samen met de mythe dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht zou hebben, de vele legendes rond zijn persoon
Over Clarksdale, Mississippi, het centrum van de delta-blues, werd lang beweerd dat zich daar het beruchte kruispunt zou bevinden. Sindsdien wordt het kruispunt van Highway 49 en Highway 61 door talloze muzikanten, die vanuit het zuiden naar Memphis, Chicago of New York reizen om daar naam en faam te maken, 'The Crossroads' genoemd. In de documentaire iets verderop op deze pagina wordt die bewering ontkracht.
De onderstaande video is gemaakt door SCOTTONTAPE, de online bijnaam van de Canadese filmmaker en popcultuurhistoricus Scott Carman. Hij beheert populaire YouTube-kanalen die zich richten op documentaires over de geschiedenis van de popcultuur, beroemde grafmonumenten en biografieën van beroemdheden.
In deze video uit 2022/2023 van Scott Carman, getiteld: "Robert Johnson and the Devil’s Crossroads", ontdek je de zoektocht naar het befaamde kruispunt (crossroad). Ook krijg je uitleg over de doodsoorzaak en het graf van Robert Johnson. Uitvalsbasis is de Dockery Farms. Duur: 45 minuten
Er heerste in die tijd ook veel geloof en bijgeloof in zwarte magie onder de Afro-Amerikaanse bevolking: het jankende gitaargeluid werd uitgelegd als gehuil van de weerwolf, van de duivel. Bovendien betekende het maken van opnames jezelf onsterfelijk maken. Een van zijn nummers, Me and the Devil Blues, gaat daar ook over. Dit nummer is opgenomen in 1937 en zou een van zijn laatste zijn. Love in Vain was zijn allerlaatste opname.
Pas na zijn dood is men zijn werk gaan waarderen, waardoor zijn muziek nog steeds wereldwijd wordt verkocht. Langs de weg en in de muziek wordt die legende van de Crossroads nu nog levend gehouden. Duidelijk zal zijn dat de kerken de blues ten stelligste afwezen.
Het blad Rolling Stone plaatste hem in 2003 op plaats 71 van de meest gewaardeerde gitaristen aller tijden. Ook werd hij opgenomen in de Mississippi Musicians Hall of Fame.
DE 29 NUMMERS DIE ROBERT JOHNSON HEEFT OPGENOMEN
1936
|
1937
|
ROEBUCK "POPS" STAPLES
Roebuck Staples werd geboren als jongste van veertien kinderen. Hij groeide op op een katoenplantage in de buurt van Drew, Mississippi. Vanaf zijn vroegste jeugd hoorde hij lokale bluesgitaristen zoals Charlie Patton (die op de nabijgelegen Dockery Plantation woonde), Robert Johnson en Son House, en begon met hen samen te spelen. Hij verliet de school na de achtste klas en zong vervolgens met een gospelgroep voordat hij trouwde. Hij was een songwriter, gitarist en zanger, een gospel- en R&B-muzikant, en werd een sleutelfiguur in de gospelmuziek van de jaren zestig en zeventig. Ook was hij de patriarch en lid van de zanggroep The Staple Singers, waartoe ook zijn zoon Pervis en dochters Mavis, Yvonne en Cleotha behoorden.
In 1935 verhuisde hij naar Chicago. Daar zong hij met de Trumpet Jubilees terwijl hij werkte op de veemarkt, in de bouw en later in een staalfabriek. In 1948 richtten Roebuck en zijn vrouw Oceola Staples 'The Staple Singers' op om als gospelgroep in lokale kerken te zingen, samen met hun kinderen. The Staple Singers maakten hun eerste opnames begin jaren 50 voor United en vervolgens voor het grotere Vee-Jay Records, met nummers zoals "This May Be the Last Time" (oorspronkelijk uit 1960, uitgebracht in 1965 door The Rolling Stones onder de titel "The Last Time" en heruitgebracht in 1992 op Pops' soloalbum) en "Respect Yourself", afkomstig uit 1971. Het werd toen als single uitgebracht door The Staple Singers en verscheen later op hun bekende album uit 1972 "Be Altitude: Respect Yourself".
Roebuck "Pops" Staples - "Respect Yourself" (1971).
In de jaren 60 stapten The Staple Singers over naar Riverside Records, Epic Records en later Stax Records en begonnen ze protest-, inspirerende en hedendaagse muziek op te nemen, die de burgerrechten- en anti-oorlogsbewegingen van die tijd weerspiegelde. Ze veroverden een groot nieuw publiek met "Respect Yourself", waarin Pops, die toen bijna 57 was, meer dan twee minuten lang de leadgitaar speelde in de lange versie. Ook scoorden ze een Amerikaanse nummer 1-hit uit 1972: "I'll Take You There, If You're Ready (Come Go with Me)" en andere hits. Let's Do It Again bereikte de eerste plaats in de Hot 100 op 27 december 1975, de dag voor zijn 61e verjaardag. Pops Staples (als Pop Staples) nam ook een bluesalbum op, Jammed Together, met de gitaristen Albert King en Steve Cropper.
The Staple Singers - I'll Take You There (1972).
DAVID "HONEYBOY" EDWARDS
Na een carrière van 80 jaar werd hij beschouwd als een van de laatsten van de oorspronkelijke generatie Delta Blues-muzikanten. Hij groeide op in het landelijke Mississippi in een gezin van pachters en amateurmuzikanten, die hem de bijnaam "Honey" gaven. Zijn vader leerde hem op een gitaar spelen die hij voor acht dollar had gekocht. Nadat hij Tommy Johnson in 1929 had ontmoet en horen spelen, begon Edwards aan een twintigjarige carrière als rondreizende zanger en gitarist. Hij trad op met Pinetop Perkins, Howlin' Wolf, Muddy Waters, Charley Patton en anderen, en vormde de laatste schakel met de legendarische Robert Johnson, die bekend stond als "De Koning van de Delta Blues". Hij reisde met Johnson mee en speelde talloze optredens met hem, en was bij hem op de avond in 1938 toen Johnson de giftige drank dronk die hem fataal werd.
Zijn eerste opnames werden in 1942 gemaakt door Allan Lomax in Clarksdale, Mississippi, voor een project van de Library of Congress en bestaan uit vijftien nummers, waaronder "Wind Howlin' Blues" en "Army Blues". Hieronder zie je een kort filmpje uit 1942. Honeyboy Edwards, met het nummer "Army Blues" in 1942, 27 jaar oud.
David "Honeyboy" Edwards - "Army Blues" (1942).
In de jaren veertig trok hij naar Chicago, waar hij speelde met onder anderen Little Walter. In 1951 vestigde hij zich definitief in Chicago, waar hij aanvankelijk de kost verdiende als fabrieksarbeider en bouwvakker. Hij maakte er zijn eerste studio-opnames; als een van de eerste bluesmuzikanten die een saxofonist en een drummer in dienst nam, bleef hij de rest van zijn leven optreden als zowel leadgitarist als sideman en verwierf hij geleidelijk aan een internationale aanhang. Edwards schreef een aantal nummers, waaronder "Long Tall Woman Blues", "Just Like Jesse James" en "Gamblin' Man", en werkte mee aan Fleetwood Macs album "Blues Jam in Chicago" uit de late jaren 60.
Zijn autobiografie "The World Don't Owe Me Nothin'" werd in 1997 gepubliceerd. Hij werd in 1996 opgenomen in de Blues Hall of Fame, werd in 2002 benoemd tot National Heritage Fellow door de National Endowment for the Arts, en won in 2008 een Grammy voor "Last of the Great Mississippi Delta Bluesmen: Live in Dallas". In 2009 ging Edwards op tournee door Europa en de Verenigde Staten, en in 2010 werd hij geëerd met een Lifetime Achievement Grammy (oeuvre-prijs). Edwards gaf zijn laatste publieke optredens in Clarksdale in april 2011. Op 29 augustus 2011 zou hij 's avonds hebben opgetreden in Millennium Park, Chicago, ware het niet dat hij om 3 uur 's ochtends op 96-jarige leeftijd overleed aan hartproblemen. Edwards werd gecremeerd.
Over zijn kunst zei hij: "Je kon de blues spelen alsof het iets eenzaams was - het was een gevoel. De blues is niets anders dan een verhaal... de verzen die in de blues worden gezongen, zijn een waargebeurd verhaal, over wat mensen doen, wat ze allemaal hebben meegemaakt. Het is niet zomaar een liedje, snap je?".
DE DOBROGITAAR IN DE DELTABLUES
Binnen de delta-blues hoor je vaak een bijzonder scherp, metaalachtig en klagend gitaargeluid. Dat geluid komt meestal van een resonatorgitaar, vaak ook een dobro genoemd, hoewel Dobro eigenlijk oorspronkelijk een merknaam was. De resonatorgitaar kreeg een bijzondere plaats in de blues, omdat hij perfect aansloot bij de omstandigheden én de speelstijl van veel muzikanten in het zuiden van de VS. Wat is een dobro-/resonatorgitaar precies?
Een resonatorgitaar heeft geen gewone houten klankkast als belangrijkste versterking, maar metalen resonators (“cones”) in de body die het geluid veel harder maken. Daardoor klinkt hij:
- luider;
- metaalachtiger;
- rauwer;
- scherper en “zingender”.
Waarom was dat belangrijk in de delta-blues?
- Volume vóór elektrische gitaren: in de jaren 1920–30 bestonden elektrische gitaren nauwelijks of waren ze onbetaalbaar. Bluesmuzikanten speelden op straat, in cafés, op dansfeesten, buiten, in rumoerige juke joints. Een gewone akoestische gitaar verdween makkelijk in het lawaai. Een resonatorgitaar was véél luider. Dat was eigenlijk de belangrijkste reden van zijn populariteit.
- Perfect voor slidegitaar. Delta-blues gebruikt heel vaak slide-techniek, waarbij met een zgn. bottleneck, mes, metalen buisje of glazen hals van een fles over de snaren wordt 'gevreven'. De resonator versterkt die glijdende tonen enorm goed. Daardoor krijg je dat klagende, menselijke, bijna huilende geluid dat zo kenmerkend is voor de delta-blues. Belangrijke bluesmuzikanten zoals Son House, Bukka White en later Muddy Waters gebruikten die stijl intensief.
- Het metalen karakter paste bij de emotie van de blues: een gewone akoestische gitaar klinkt warmer en ronder. Een resonator klinkt harder, scherper, rauwer en “stoffiger”. Dat paste perfect bij de harde leefomstandigheden, het ritmische karakter van veldmuziek en de emotionele intensiteit van de blues. Veel mensen vinden dat een resonator bijna “menselijk kreunt”.
Niet èlke delta-bluesmuzikant gebruikte een dobro: veel delta-blues werd ook gespeeld op goedkope houten akoestische gitaren, Stella-gitaren en Harmony-gitaren. Het is dus geen verplicht onderdeel van delta-blues, maar wel een zeer iconisch geluid geworden. Omdat moderne bluesmuzikanten bewust dat oude Delta-geluid zoeken. De resonator roept meteen een sfeer op van katoenvelden, stofwegen, veranda’s, treinsporen, diepe zuiden van Amerika. Het instrument is dus bijna een cultureel symbool geworden van de blues zelf.
MISSISSIPPI BLUES TRAIL
De Mississippi Blues Trail is een netwerk van meer dan 200 historische markeringen verspreid over de Amerikaanse staat Mississippi. Het project werd in 2006 opgezet door de Mississippi Blues Commission om de rijke geschiedenis van de blues – de basis van de moderne popmuziek – in kaart te brengen en te eren.
De belangrijkste kenmerken van de trail zijn:
- Historische markeringen: Bij belangrijke locaties, zoals oude clubs, geboortehuizen van artiesten, begraafplaatsen en platenstudio's, staan informatieve borden;
- Legendarische locaties: De trail voert door iconische plaatsen in de Mississippi Delta, zoals Clarksdale (bekend van de Crossroads), Indianola (de thuisbasis van B.B. King) en Tupelo (geboortestad van Elvis Presley);
- "De Blues Highway": veel van de locaties liggen langs de legendarische US Route 61, beter bekend als de Blues Highway. De route is opgezet als een roadtrip, waarbij muziekliefhebbers in hun eigen tempo de bakermat van artiesten als Muddy Waters, John Lee Hooker en Robert Johnson kunnen ontdekken.
Je kunt de locaties, hun verhalen en interactieve kaarten bekijken via de officiële website Mississippi Blues Trail.
"Welcome to the Mississippi Blues Trail!"
↑ Terug naar boven